Ties

Manuscript zoekt lezers!!!

Vorige week kwam ik een schets van een boek tegen. Vorig jaar in Denemarken geschreven. De afgelopen dagen herschreven…

Over Ties en Hero en over Muva, de straatmuzikant waarvan Ties denkt dat het zijn vader is…
Ik droom over een gouden griffel terwijl ik de vraag stel:
Wie wil hem (proef)lezen?

 

Ik zou vierentachtig zijn als ik was geboren als hond. Zo oud voel ik me soms ook wel maar de spiegel zegt dat ik gewoon twaalf ben. Tegelijk zegt de spiegel dat ik sproeten heb, twee knalblauwe ogen en wilde blonde haren die ik nooit kam. Ik heb een glad gezicht dat Hero een blotebillengezicht noemt. Geen idee waarom. Ik denk bij billen niet direct aan een gezicht. Ik vind billen eigenlijk geen gezicht. Zeker niet die van Wieke, mijn moeder.

Ik ben Ties en anderen vinden me vreemd, volgens mij. Ik weet het niet zeker. Ik zal ze een keer vragen of ze dat ook echt vinden. Maar dat vind ik lastig. Om te vragen, bedoel ik. Als ik vraag dan kijken ze me zo gek aan. Zo eh… ja, gewoon. Zo vol schrikblikken en met ogen die starend ronddraaien. Alsof ze nooit snappen wat ik met mijn vraag wil bereiken. Of ze nooit begrijpen wat ik heb bedacht en hoe ik denk. Alsof ik onbeantwoordbare vragen stel.

Soms denkt ik dat Hero me wel begrijpt. Hero moet mijn vriend zijn. Dat moet van Jarno, zijn vader. Hero’s moeder is er sinds een tijdje vandoor. ‘Verdwenen’, zegt Hero, ‘opgelost in de mist met een of andere vage man.’ En nu wordt Hero gedwongen om met mij te spelen. Alsof hij daar zin in heeft. Ik zou er in elk geval geen zin in hebben om met iemand te spelen als ik er toe gedwongen zou worden.

Ik vraag bijna nooit wat aan hem als we verplicht bij elkaar in de buurt zijn. Dat hoeft niet. We praten met elkaar zonder vragen te stellen. We hebben genoeg aan praten zonder woorden. We vullen de hele kamer met gedeelde stilte. Een beetje zoals echte broers, zeg maar. Want ik stel me voor dat echte broers dat kunnen zoals wij dat doen: praten zonder woorden.

Hero is zo totaal anders dan ik. Wieke noemt hem een binky toy: een stoere jongen met een klein hartje. Dat laatste heb ik nog nooit gezien. Hij is altijd bezig met het opzoeken van spannende avonturen en actie. Misschien zoekt hij ze niet maar vindt hij ze gewoon. Of het overkomt hem. Heel vaak. Een beetje te vaak in mijn ogen.

Hij is langer dan ik ben, wel een halve kop groter. Hij heeft geen sproeten zoals ik heb maar wel dezelfde blond haren. En we zijn op dezelfde dag geboren.

Hij is niet zo slungelig en klungelig als ik. Het lijkt er altijd op dat hij zijn lichaam onder controle heeft. Ik niet. Ik struikel over elke steen die dwars ligt. Maar ook over stenen die niet dwars liggen.

Ik heb een aantekeningenboekje zonder lijnen. Daarin schrijf ik. Of ik kriebel. Ik heb het er weer bij gepakt omdat ik dood ben geweest. Nou ja, bijna dan. Ik zou niet meer weten wanneer alles echt is begonnen. Dat soort dingen onthoud ik niet. Hero wel. Die vergeet niets. Hij weet dat het in het zwembad is begonnen: het begin van het eind van onze vriendschap. En dus ook weer het begin van een nieuw soort vriendschap. Maar of daar, in het zwembad, het verhaal is begonnen? Niet echt. Mijn deel moet al veel eerder begonnen zijn. Voor mijn geboorte al zelfs. Ver voor mijn geboorte. Meer dan negen maanden ervoor, toen Wieke verliefd werd op de verkeerde man. Dat doen ze. Moeders bedoel ik, verliefd worden op de verkeerde man. Hero onthoudt alles in zijn hoofd. Daar heb ik genoeg bewijzen van gehoord.

Hero en ik lopen over het zandpad langs de ruïne naar het zwembad. Hij loopt tien meter voor me. Zo gaat het altijd. Hero wil eigenlijk niet dat ik met hem mee ga maar dat moet van Jarno. Ik begrijp wel dat zijn vader me zielig vindt. Die houdt niet van kinderen die met een gezicht zonder uitdrukking rondlopen, die niets zeggen en niet uit zichzelf tot iets komen. Hij houdt niet van jongens die alleen willen zijn. Hij verwart alleen zijn met eenzaam zijn. Alleen daarom al moet Hero met me mee.
Ik hoor Jarno wel als hij over me praat en denkt dat ik hem niet hoor wanneer hij denkt dat ik me heb afgesloten. ‘Ga nou maar gewoon weer eens met Ties spelen. Dan komt die jongen er ook weer eens uit’, zegt hij dan. ‘Je zou hem maar zijn’, zegt hij ook.
Ik hoor Hero wel zuchten. Hij zucht mooi en ik hoor het hem nog een keer doen, ook al loopt hij ver voor me. ’Ik hoef niet met je mee hoor’, schreeuw ik tegen Hero’s achterhoofd. ’Dat denk jij!’, antwoordt hij. ’Ja, dat klopt, dat denk ik. Wat denk jij?’, vraag ik. ’Stel niet zulke stomme vragen zeg. Ik denk niet. Ik doe alleen.’ ’Dacht je maar eens voor je deed?’ schreeuw ik. Hero is stil. Ik zie dat hij zijn schouders ophaalt. ’Ik ga straks de mooiste bom maken die je je kunt voorstellen. Eén met een waterzuil van wel zes meter. Hoger dan de hoogste duikplank en net zo hoog als de uitkijktoren van de badmeester.’ Ik knik. Dat ziet Hero niet. Lastig als je niet naast elkaar loopt. Ik ren een stuk tot ik naast Hero loop. Dan knik ik nog een keer. Stom natuurlijk. Hij snapt nu niet dat ik knik om wat hij net zei. ’Wat zit je dom te knikken’, zegt Hero. ’Ja’, zeg ik. ’Wat ja?’ ’Ja Hero.’ Hero schudt zijn hoofd. Ik ook. Weer een gesprek dat nergens op slaat. ’De wereld is een toverbal’, zegt de kassajuffrouw van het zwembad. ’Ja, en het water is weer eens nat’, zegt Hero vlug, voordat de kassajuffrouw het zegt. ´Hé, je gebruikt mijn woorden.´

Ze kijkt met grote ogen naar Hero. Ik staar naar Hero’s achterhoofd. Dat schudt op en neer. Hero lacht. Ik lach mee maar ik weet eigenlijk niet waarom. Dat heb ik wel vaker. Dat ik niet weet waarom ik lach. ´Stop hem in je mond, de wereld. Maar niet als je in het natte water gaat zwemmen. Dan kun je je namelijk verslikken´, zegt de kassajuffrouw terwijl ze haar vinger priemend naar mij wijst. ´Ja, ik kom hier niet om toverballen te eten,’ zegt Hero. ‘Ik kom om te zwemmen. En om superbommen te maken.´ ´Dat zeggen ze allemaal, jongen. Dat zeggen ze allemaal. Tot je het bad induikt en ziet dat er iets niet klopt. Dat je door hebt dat je iets anders aan het doen bent dan zwemmen. Pas dan, als het gewone ongewoon is, denk je aan mij en mijn woorden.´ Hero schudt zijn achterhoofd. Waarschijnlijk ook zijn voorhoofd, maar dat kan ik niet zien. Ik schud ook maar mee. ´Abonnementen graag’, zegt ze opeens bits. Hero haalt zijn abonnement tevoorschijn. Ik doe hem na. Hero mag doorlopen. ’Zesduizenddrieëndertig’, mompelt de kassajuffrouw terwijl ze op een teller drukt. Ik laat mijn abonnement ook zien. ’Loop maar door, Ties, nu je het nog kunt’, zegt ze met een grimas op haar droevige gezicht. Ik grijns terug en loop door. Wanneer ik haar passeer drukt ze weer op haar tellertje. Zesduidendvierendertig’, mompelt ze. `Oude heks´, mompelt Hero. Ik hoor het en knik. Ik kijk achterom. De oude heks heeft het niet gehoord. Ze praat tegen een paar meisjes die ook het zwembad in willen. ´De wereld is een toverbal. En het water is vandaag weer eens nat.’ ´Oude heks´, mompel ik. Hero knikt. Hij geeft me gelijk.

Een gedachte over “Ties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *