sinterklaas bestaat echt

sinterklaas1’Komt Sinterklaas ook nog bij ons in de klas, straks, meester?’, vroeg Okki. ‘En als hij komt, welke van de twee komt dan?’
’Tja… twee vragen in één keer. De eerste is makkelijk te beantwoorden natuurlijk want ja, hij komt nog bij ons in de klas.’
Meester liet een stilte vallen, alsof hij net deed of hij nadacht.
’Doe je net of je nadenkt, meester?’, vroeg ik. ‘Je kijkt zo nadenkerig.’
Meester liet een nog grotere stilte vallen.
’Ik laat even een stilte vallen om mezelf na te laten denken. Ik laat zo’n stilte vallen waarin je gerust heel lang kunt zoeken naar een speld in een hooiberg. Een hele lange stilte waarin je de speld die je dan eindelijk vindt kunt laten vallen. Zo’n speld die je dan ook ritselend op de grond hoort terecht komen. Zo’n stiltespeld laat ik vallen.’
’Je denkt wel goed na dan, meester!’, zei ik.
Meester zei niets meer. Hij pakte een kruk, zette die tegen de muur en ging er op zitten. Hij zette de wijsvingers van zijn beide handen tegen de slapen van zijn hoofd en sloot zijn ogen.

’Ja, Steen, ik denk na… daardoor besta ik’, fluisterde hij.
Ik dacht na in de stilte van de vallende spelden. Ik keek om me heen en zag dat de anderen ook nadachten. Ik zag dat Gjalt een beetje groter werd dan hij eigenlijk is. Dat was altijd het teken dat Gjalt wat zou gaan zeggen waar iedereen nog verder over na zou gaan denken. Gjalt is onze denker. Hij denkt altijd zo ver na dat zijn gezicht er soms bleek en doorzichtig van wordt.
’Dus als je nadenkt besta je, meester?’, vroeg hij.
Meester haalde zijn linkerwijsvinger van zijn linkerslaap, opende zijn rechteroog en keek starend naar Gjalt.
’Ja’, zei hij. ‘Dat zeggen ze.’
’Straks komt Sinterklaas maar eigenlijk is het niet Sinterklaas maar de vader van Stefan uit groep zes, toch?’, vroeg Gjalt.
’Ja, de Sinterklaas die ik geregeld heb is de vader van Stefan. Die andere Sinterklaas… eeehhh… de Sinterklaas die directeur Zwarfdreumer heeft geregeld en die hier rondhuppelt… die ken ik niet, jullie?’
we schudden onze hoofden. ‘Maar Gjalt, vanwaar jou vraag?’
’Nou, gewoon. De vader van Stefan is vandaag Sinterklaas. Bestaat hij vandaag als vader van Stefan of bestaat hij als Sinterklaas?’
’Ooohhh, nee hè’, zuchtte meester Korneel. ‘Heb ik weer!´
´Wat heb je weer, meester?´, vroeg Charlie.
’Nou, gewoon, zo’n wijsgerige wijsneuzerige supervragen stellende Gjalt in de klas.’
Meester keek naar Gjalt.
’Geweldige vraag, Gjalt. Hoe kom je daar bij?’
’Nou, gewoon, ik denk na dus ik besta. Ik ben Gjalt. Maar, meester’, zei Gjalt alsof het de gewoonste zaak van de hele wijde wereld was. ‘Denkt de vader van Stefan vandaag als de vader van Stefan óf als Sinterklaas. En die andere Sinterklaas in school? Denkt die als zichzelf of denkt die ook als Sinterklaas. Als die ander ook denkt als Sinterklaas dan… eeehhh… in dat geval denken ze misschien wel hetzelfde vandaag. Dan bestaan ze omdat ze samen hetzelfde denken. Of op dezelfde manier. Dan zijn ze vandaag dezelfde hetzelfde denkende mens, net als alle andere Sinterklazen die alle scholen bezoeken. Dan bestaat Sinterklaas dus eigenlijk wel echt omdat iedereen die vandaag Sinterklaas is denkt als Sinterklaas. En wie denkt, bestaat. Dus Sinterklaas bestaat.’
Meester liet zijn wijsvingers van zijn slapen zakken. Hij liet zich van zijn kruk glijden, kroop naar mijn tafel, pakte een pen uit mijn la en schreef wat woorden op een stukje papier.
We zochten allemaal naar spelden in onze eigen hooibergen. Wij hadden geen zaagsel in onze hoofden, zoals de kinderen van groep zes. Wij hadden hooi in onze hoofden, had meester eens gezegd. Dat was makkelijk want dan konden we soms ook heerlijk in onze eigen hoofden slapen en kruipen en zoeken naar spelden, zoals nu. We zochten naar woorden die we zouden kunnen gebruiken om een goede vraag aan Gjalt, of aan meester Korneel te stellen.
Niemand vond een speld. Het bleef stil in de klas. Buiten de klas niet. We hoorden ‘dag Sinterklaasje, dahag dahag dahag dahag zwarte Piet. Dag Sinterklaasje, dahag, dahag, dahag, dahag zwarte piet. Sinterklaas zou ook nog bij ons in de klas komen. Maar wie kwam er dan in de klas: de vader van Stefan of Sinterklaas. Of allebei?
’Dus… Gjalt… je hebt mijn hooiberg opgeschud zoals je nog nooit een hooiberg hebt opgeschud…  Sinterklaas bestaat… hhhmmmpppfff… jongen toch. Gjalt, jongen toch. Wat zouden we zonder je moeten?’
’Dan hadden we nu pepernoten in onze monden gestopt, meester’, zei Charlie. ‘Trouwens, ik heb dorst van al dat denken. Is mevrouw Krankheimer nog in school om chocolademelk rond te brengen?’
Niemand reageerde op Charlie. Ik had ook wel dorst. Meester ook. Hij likte zijn lippen.
’Ik heb ook dorst’, zei meester.’Dorst naar woorden. He, wacht eens! Ik heb een idee.’
Meester verliet ons stille lokaal. Drieënveertig seconden later kwam hij weer terug.
’Jullie gaan iets beleven wat je nog nooit eerder hebt beleefd’, mompelde hij.
Direct daarna werd er op de deur geklopt. Hard geklopt, zacht geklopt.
’Wie zou dat zijn. ’t Is een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker. ‘k Zal eens even vragen naar zijn naam’, zong meester Korneel.
De deur ging open en daar kwam een optocht binnen.
’Sint Nicolaas’, zong de eerste Sinterklaas.
’Sint Nicolaas’, zong de tweede Sinterklaas.
’Brengt ons vanavond een bezoek, en strooit dan wat lekkers in één of andere hoek. Koekoek’, zongen wij.
Twee Sinterklazen en vier zwarte pieten vulden ons lokaal.
’Welkom Sinterklaas’, zei meester.
’Sinterklazen’, zei de eerste Sinterklaas guitig.
’Nou, nee’, zei Gjalt. ‘U bent met zijn tweeën maar eigenlijk bent u ook één want u denkt hetzelfde.’
De Sinterklazen keken elkaar aan.
’Is dat zo?’, vroeg de tweede Sinterklaas.
’Ja hoor. Hoe oud bent u?’, vroeg Gjalt.
’Heel oud’, zeiden de twee Sinterklazen tegelijkertijd.
’Precies. En heeft u nog zakjes zout bij u?’, vroeg Gjalt.
’Nee, dat doen we niet meer’, zei de vader van Stefan Sinterklaas.
’Precies, dat doen we niet meer’, zei de andere Sinterklaas.
’Precies’, zei Gjalt. ‘Ziet u wel. U denkt hetzelfde. U bent nu niet de persoon die u gisteren was. U bent nu allebei dezelfde Sinterklaas. U denkt als Sinterklaas, dus u bestaat, Sinterklaas!’, zei Gjalt.
De beide Sinterklazen keken elkaar aan.
’Gjalt, zo bijzonder heb ik je nog nooit gehoord’, zei de andere dan de vader van Stefan Sinterklaas.
’Gjalt, Ik ook niet’, zei de vader van Stefan Sinterklaas.
De beide Sinterklazen keken elkaar aan en opeens leek het of wij niet bestonden. Ze hadden alleen maar oog voor zichzelf.
’Dus… omdat we hetzelfde denken bestaan we?’, vroeg de vader van Stefan Sinterklaas aan de andere Sinterklaas.
’Ja’, zei de andere Sinterklaas. ‘We… eeehhh… tja… we hebben dezelfde waarheid.’
Weer was het stil. Maar niet zo lang dit keer.
’Dus… omdat we dezelfde waarheid hebben wordt dat de werkelijkheid’, hoorde ik de vader van Stefan Sinterklaas mompelen.
’Hmmm… en die werkelijkheid is dus echt. We bestaan want de waarheid van ons beiden is werkelijkheid’, vulde die niet vader van Stefan Sinterklaas aan.
’Samen geloven in een waarheid zorgt dus voor een gezamenlijke werkelijkheid’, mompelde de vader van Stefan Sinterklaas.
’Het lijkt wel op die politieke one issue partijen van tegenwoordig’, zei één van de zwarte pieten.
De Sinterklazen zwegen.
De zwarte pieten zwegen.
Meester Korneel zweeg.
Wij zwegen.
Iedereen zweeg maar Gjalt zat weer wat rechter op dan recht op.
’Die bril ken ik. Zo één heeft mijn vader ook’, zei Gjalt.
De andere dan de vader van Stefan Sinterklaas keek naar Gjalt.
’Hai vent’, zei hij, met een iets andere stem als even daarvoor.
Gjalt zuchtte lachend.
’Hai pap.’
We keken elkaar aan en onze hooibergen broeiden. We zochten niet naar spelden, we hadden ze al gevonden.
De beide Sinterklazen stonden op, gaven elkaar een stevige hand en wandelden toen achter elkaar het lokaal uit, gevolgd door de vier zwijgende, hoofdschuddende zwarte pieten.
’Jullie hebben ons niet meer nodig vandaag’, zei de vader van Gjalt Sinterklaas.
’Jullie redden het wel zonder ons’, zei de vader van Stefan Sinterklaas. ‘Wij gaan een kop koffie drinken.’.
Meester Korneel stond op en wilde wat gaan zeggen. Hij kreeg de kans niet. De deur werd open gegooid en mevrouw Krankheimer kwam het lokaal binnen gestuiterd. Ze struikelde over de drempel met een dienblad vol bekers chocolademelk in haar handen. Op miraculeuze wijze balanceerde ze een paar meter door het lokaal en kwam voor mijn tafel tot stilstand.
’Help je me even, Steen kronkel, om de chocolademelk uit te delen?’, vroeg ze alsof er niets was gebeurd.
Zwijgend hielp ik haar en zwijgend dronken we onze chocolademelk. Ik dacht na en ik wist het: ik besta!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *