getouwtrek

korneel‘Meester, Henke doet niet wat ik wil.’

Meester Korneel keek van Janke naar Henke en weer terug.
Het gezicht van Henke leek op een donderwolk met felle bliksemflitsen die uit zijn ogen spoten.
‘Moet ik een brandblusser halen?’, vroeg meester.
‘Niet doen meester’, zei Henke.
‘Wat niet doen?’
‘Weet je best. Je doet flauw om me aan het lachen te maken maar ik blijf gewoon boos.’
Henke had demonstratief zijn armen over elkaar gedaan en mokte.
‘Dus Janke vindt dat jij niet doet wat zij wil. En jij bent boos omdat zij iets heeft waarvan ze denkt dat jij het moet doen. Interessant.’

Janke en Henke knikten.
‘Hoef je niet eens te weten wat dat is dan, meester?’, vroeg Janke.
Meester Korneel schudde zijn hoofd.
‘Donderwolken en bliksemflitsen drijven over en moetopdrachten worden vaak vraagopdrachten. Wat ik probeer te zeggen is dat jullie er uiteindelijk ook wel zonder mij uitkomen. Soms moet je net even anders kijken. Of net even iets anders iets aanpakken.’
‘Dat snap ik niet’, zeiden Janke en Henke tegelijkertijd.
Ze keken elkaar even een seconde aan en keken dan allebei weer strak naar meester Korneel.
‘Heb ik jullie al een keer verteld hoe ik kampioen touwtrekken ben geworden?’
Janke en Henke schudden hun hoofd.
‘Het was een mooie dag in september. Ik was een jaar of elf en ik zat op touwtrekken.’
‘Is dat een sport dan?’, vroeg Janke.
‘En of dat een sport is. Een verdraaid mooie en interessante hobbysport. Weet je? Het is een sport die iedereen een keer zou moeten doen. Je staat een beetje met je team tegen een ander team te trekken aan een touw. Hakken in het zand, beetje achterover leunen en zorgen dat de tegenstander verliest. Zo gaat het ongeveer.’
‘Klinkt simpel’, zei Henke.
‘Hmmm… dan heb ik het verkeerd uitgelegd. Eigenlijk is het een hele lastige sport. En ik ben kampioen touwtrekken geworden voor eenmansploegen.’
‘Hoe dan?’, vroeg Janke.
‘Fijn dat je het vraagt. Nu kan ik het tenminste uitleggen. Kijk. We hadden bij ons op de club ook het kampioenschap een tegen een.
Dan kreeg je een tegenstander aangewezen en moest je hem over de lijn proberen te krijgen. De eerste paar rondes had ik mazzel. Ik zeg het maar zo: mijn tegenstanders waren allemaal miezerjongetjes die nog dunner en ieler en kleiner en smaller en lichter waren dan ik was. En ik was al niet zo’n enorme beste spierbonkerige spierbundel. Ik had geluk dus en haalde vrij makkelijk de finale.’
‘En toen, meester?’, vroeg Janke.

‘Ard Hensen.’ Meester zuchtte en keek in de richting van het plafond.

‘In de finale stond ik tegenover Ard Hensen. Twee koppen groter dan ik, 13 jaar. Maat vierenveertig van schoenen en armen die elke dag drie borden havermoutse pap kregen gevoerd. Ard Hensen was de schrik van elke tegenstander waar we met ons team tegen moesten. En nu moest ik tegen hem. Ard was altijd de laatste van ons team, het dichtst bij het uiteinde van het touw. Als hij zijn hakken in het zand zette dreunde de grond nog dagenlang na. Iedereen had oordoppen in want als Ard begon aan te moedigen dan kreeg je sowieso een gehoorbeschadiging. Ard Hensen dus, de schrik van de touwtrekwereld. Ik vind het fijn om bij hem in het team te zitten. Hij vond het ook fijn dat ik bij hem in het team zat.’
‘Hoezo dat dan?’, vroeg Henke.
Hij wist dat hij ons nodig had. Net als in een klas. Daar heb je elkaar ook nodig. Soms lijkt het of je iets moet van een ander terwijl je het ook samen kunt beslissen.’
Meester krabde aan zijn kin en keek naar Henke en Janke.
Die keken elkaar schaapachtig aan. Henke stond inmiddels met zijn handen niet meer vast in elkaar en zijn bliksemflitsen waren ook verdwenen.
‘Maar hoe ben je kampioen geworden dan, meester?’, vroeg Henke.
‘Kracht en slimheid gaat heel goed samen, zeker bij mij. Mijn kracht die wedstrijd zat in mijn slimheid. We moesten het touw pakken en klaar gaan staan. Ik vertraagde door uitgebreid mijn oordoppen in te doen. Daarna pakte ik de zonneklep ut mijn rugtas en zette die op mijn hoofd. Ard stond grijnzend klaar. Hij had het touw al vast en wachtte af. De scheidsrechter keek op zijn horloge en wees naar het touw. Ik pakte het vast en zette me schrap.’
Meester Korneel keek naar Janke en Henke en liet een stilte vallen.
‘En toen?’, vroegen ze tegelijkertijd.
‘Jullie zeggen al weer wat tegelijkertijd’, zei meester Korneel.
‘Toe nou meester, je treuzelt’, zei Henke.
‘Precies, dat deed ik. Ik aarzelde en treuzelde. Ik vertraagde en wachtte af. De scheidsrechter deed zijn arm naar beneden, ten teken dat we konden beginnen. En Ard begon. Hij trok met een enorme ruk aan het touw. En ik? Ik deed niets… Ik liet het touw door mijn handen glijden. Zo trok Ard alleen maar aan het touw, en niet aan mij. Hij viel achterover, liet het touw los van schrik en ik trok het touw vervolgens heel rustig naar me toe.’
‘Maar je moet toch je tegenstander over de streep trekken, meester?’, zei Janke.
‘Neuh’, zei meester Korneel. ‘Het heet toch touwtrekken? Ik had het touw over de streep getrokken dus ik had gewonnen, vind ik.’
Meester Korneel draaide met zijn ogen.
‘Vond jij!’, zei Henke. Maar Ard niet dus…’
‘En de scheidsrechter ook niet’, zei meester.
‘Ze hebben me duidelijk gemaakt dat het niet helemaal volgens de regels was gegaan. Ik probeerde vol te houden dat ik gewonnen had met TOUWTREKKEN. Ik had het touw over de lijn getrokken. Ze moesten allemaal lachen en ik kreeg een schouderklap van Ard die ik nu nog voel. We moesten het wel over doen.’
‘Toen won Ard zeker?’, vroeg Janke.
‘Binnen drie seconden’, zei meester Korneel zuur.
Janke en Henke stonden er lachend bij.
‘Mooi verhaal meester’, zei Henke.
‘Dank je Henke. Waarom had ik dit ook al weer verteld?’
Janke en Henke keken elkaar aan en glimlachten.
‘Even overleggen?’, vroeg Henke aan Janke.
Janke knikte.
‘Volgens mij komen we er wel uit’, antwoordde ze.
Samen liepen ze naar de tafel van Henke.
Meester Korneel schudde zijn hoofd. Hij lachte, pakte een mok van zijn tafel, nam een slok koude koffie en liep lachend het lokaal uit om verse te halen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *