gedachtenreis

voorkant Op school, in de klas van onze zoon, zouden ze een sinterklaasliedje gaan zingen.
In het liedje de volgende regel:
“ik wil pepernoten, ik wil pepernoten”
Zoon, zo zei zijn juf vanavond tijdens het tienminutengesprek, had liever niet dat ze het lied zouden gaan zingen omdat “het zo hebberig was om pepernoten te willen”. dus…
Uiteindelijk hebben ze het lied niet gezongen.
Soms wil ik wel eens mee op de gedachtenreis die hij gaat. Mee om te zien hoe hij denkt en wat maakt dat hij zegt wat hij zegt. Hoe de beelden in zijn hoofd zorgen voor zijn uitspraken. Soms… maar meestal niet omdat ik weet dat zijn gedachten zijn gedachten zijn, zijn beelden zijn beelden en zijn gedachtenreis onnavolgbaar is. Maar is niet elke gedachtenreis die we maken onnavolgbaar?

gedachtenreizen… wereldreizen… ik maak ze… in mijn hoofd, en echt (nou ja, bijna echt):

Er gebeuren altijd leuke dingen op het schoolplein. Nou ja, soms natuurlijk ook minder leuke dingen. Bijvoorbeeld als een jongen van groep acht de voetbal ongenadig hard van zijn pantoffel laat vertrekken waardoor die onverwacht tegen het hoofd van een toevallig langslopende kleuter zeilt. Of als Ralf uit groep vier met een paar stelten op zijn schouder over het plein loopt, een draai maakt en de oren van Erik en Sander schampend raakt. Of als twee knuppels tegen elkaar aanlopen en verwijtende woorden uit de keel laten komen die we liever niet horen met z’n allen. En toch…… meestal heb ik tijd om eens fris rond te kijken of mee te doen. Nu ook weer. Midden op het plein hebben we een dambord van tegels. 50 rode en 50 grijze tegels liggen gezellig tegen elkaar aan. Soms spelen de kinderen dat ze alleen op de rode tegels mogen lopen, soms juist alleen maar op de grijze.
Henk-Jan en Wytze hadden een nieuw spel bedacht. Ze waren beiden over de rode tegels aan het slenteren maar ze mochten elkaar niet raken, ze mochten niet op dezelfde tegel staan. Ze moesten zo lopen dat er altijd een tegel ruimte was tussen hen beiden in. Ik keek.
‘Mag ik ook meedoen?’, vroeg ik.
‘Jewel’, zei Henk-Jan.
‘Dan moet je wel goed je best doen hoor’, voegde Wytze er nog aan toe.
‘Tuurlijk. Of denk je dat ik dat niet kan?’
‘Dat wel maar het is best wel moeilijk’, zei Wytze serieus.
Ik waagde me op het dambord en houterig liepen we langs elkaar. Soms kwamen we dicht bij elkaar, soms leek het of we alledrie in een ander land stonden. Wie het bedacht, ik weet het niet meer maar opeens was elke tegel geen tegel meer maar was het een land geworden. Elke tegel een land met zijn eigen naam. Zo huppelde ik van China naar Amerika. Henk-Jan ging van  Nederland naar Oostenrijk, van Ivoorkust naar Japan. Wytze wilde de warmte voelen van Brazilië, de kou van de Noordpool en stilte in Pategonië. Henk-Jan wilde uitrusten op een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee en wakker worden in Tanzania. Samen bedachten we de landen en huppelslenterden er naar toe. Ik wilde zelf graag een keer naar Curaçao en naar Cuba en eindigde plotseling in België. Zo liepen we over de wereld en we keken naar elkaar.
We hadden een spel bedacht zonder grenzen, we hadden een perfecte aarde in elkaar geknutseld, een wereld van landen die elkaar met de punt raken en geen ruzie hebben, zo maar op ons schoolplein.
Jammer genoeg moesten we om half elf naar binnen maar ik had met Wytze en Henk-Jan een onvergetelijke reis in een paar minuten gemaakt. We waren op plekken geweest waar we nog nooit geweest waren. Zij hadden van landen gehoord die ze niet kenden, ze hadden over zeeën gevlogen, over bergen en door dalen, over rivieren, dorpen, steden en mensen en uiteindelijk waren we weer thuis gekomen, op het plein van onze school.
We hadden een wereldreis gemaakt, zo maar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *