Galgje

galgjeMeester Korneel beleeft veel en veel te veel.
’Meester, gaan we een keer galgje doen?’, vroeg Charlie.
’Hmm… galgje? Ik heb wel wat beters te doen dan galgje. Jullie ook altijd met je galgje’, mopperde meester.
Charlie ging rechtop zitten.

’Wij ook altijd met ons galgje?’, vroeg hij verontwaardigd. ‘We doen het nooit omdat jij het niet wilt. Waarom eigenlijk niet?’
’Waarom niet? Gewoon, daarom niet’, zei meester en hij keek lachend het lokaal in.
’Daarom is geen reden, als je van de trap afvalt…’, zei Gjalt.
’Dan hoef je ook niet te lopen naar beneden’, onderbrak meester hem en vulde aan.

’Galgje, jongens en meisjes, is een schreeuwspel. Een woordspel waarbij iedereen altijd weet welk woord het is. Jammer genoeg kan er maar één winnen. Daarom vind ik het niet leuk dus.’
We waren stil.
’Een schreeuwspel?’, vroeg Yorinde.
’Yep, een schreeuwspel zonder gillen.’
’Dat moet je uitleggen, meester. Wat is een schreeuwspel zonder gillen?’, vroeg Yorinde.

’Nou, gewoon. Iedereen zit tijdens galgje op het puntje van zijn stoel om een nieuwe letter te schreeuwen. Iedereen wil wel gillen maar dat helpt toch niet. Je mag pas een letter zeggen als je aan de beurt bent. En de meeste kinderen komen niet aan de beurt. Vervelend spel dus. Oersaai en vreemd. Kijk nou eens goed naar het spel. Je moet een letter zeggen. Als je het niet goed doet dan mag ík een streepje op het bord zetten. Volgens mij ben ík meer aan het werk met streepjes zetten en nadenken dan jullie. Dat is niet de bedoeling van meester zijn. De bedoeling van het meester zijn is dat jullie aan het werk zijn. Niet ik.’
We dachten na. Meester ook. Hij dacht een paar denkrimpels in zijn voorhoofd.

’Weet je?’, ging hij verder. ‘En dat gekke schreeuwspelletje willen jullie spelen?’
’Vond je het zelf vroeger nooit leuk of zo, meester?’, vroeg Yorinde.
Meester dacht na en keek donker onder zijn wenkbrauwen uit.
’Misschien is dat het wel. Toen ik zo verschrikkelijk oud was als jullie nu zijn zat ik in de klas bij Jan. We speelden galgje volgens mij veel en veel te vaak per week. Volgens mij elke dag minstens drie of vier, of misschien wel vijf keer. En Jan wist volgens mij altijd elk woord. Het was net of hij dwars door de bedenker van het woord heen kon kijken. Of hij een woordradar in zijn ogen had die precies kon lezen welke letter er nog moest komen. Niets aan dus. Hij zat zich maar een beetje de hele dag te vervelen totdat we galgje gingen doen. Dan zat Jan opeens op het puntje van zijn stoel en deed hij mee.’

Meester zweeg en wij zwegen mee.
’Galgje’, zuchtte hij, ‘is een spel om de tijd te doden aan het eind van de ochtend of aan het eind van de middag. Het is een tijddodend spel. Volgens mij kan ik beter gaan voorlezen of zo. Of een verhaal vertellen, of gewoon wachten tot het tijd is en jezelf laten nadenken over deze morgen. Ja. Dat is wat we zouden kunnen doen. Gewoon nadenken over deze ochtend. Wie denkt waar over na?’, vroeg hij.
’Hoe kan ik daar nou wat over zeggen, meester. Ik heb helemaal nog geen tijd gehad om na te denken’, zei Gjalt.

’Jij hebt helemaal geen tijd nodig om na te denken’, zei Charlie. ‘Jij denkt altijd na, ook al hoeft het niet.’
Gjalt keek een beetje verbaasd naar Charlie. Daarna naar meester.
’Laten we maar gewoon galgje te doen, meester. Ik heb wel een woord.’
Meester zuchtte.
’Goed dan, Jan’, zei hij.
’Ik ben Gjalt, meester’, zei Gjalt.
’Ach ja, Jan, jij bent Gjalt. Kom maar naar voren.’
Gjalt hees zich uit zijn stoel en sjokte naar voren. Hij knipoogde ondertussen even naar Charlie. Bij het bord pakte Gjalt een stompje krijt. Langzaam zette hij wat streepjes.

’Hoeveel zijn het er eigenlijk precies?’, vroeg Henke.
‘Tien’, zei meester. ‘Gjalt heeft tien streepjes gezet.’
’Ik weet het woord’, gilde Charlie plotseling en nogal hard door de klas.
’Dat kan niet. Er is nog geen letter geraden’, zei meester.
’Toch weet ik het’, zei Charlie nog een keer, iets minder hard gillend.
Meester keek starend naar Charlie en toen naar Gjalt.

’Dit is waarom ik dit zo’n stom spel vind’, zuchtte meester. ‘Er staan tien streepjes op het bord en er is nu al iemand die denkt dat hij weet wat het woord is. Heb je soms de woordradar van Jan gevonden?’, vroeg meester.
’Nee, niet gevonden. Ik heb er laatst wel één op de rommelmarkt gekocht. Niet zo oud, een beetje groen uitgeslagen en hij werkt heel goed hoor, meester’, zei Charlie.
’Dus… op de rommelmarkt. Ik wist niet dat je daar van dat soort dingen kon vinden. Heb je hem ook bij je dan?’
’Wat dan?’, vroeg Charlie.

’Nou, die woordradar natuurlijk die je gekocht had op de rommelmarkt.
’Tuurlijk”, zei Charlie. ‘Anders wist ik toch niet welk woord Gjalt in zijn gedachten had.’
Gjalt stond ondertussen een beetje van zijn ene op zijn andere been heen en weer te springen.
’Beginnen we nu dan?’, vroeg hij aan meester.
‘We zijn al begonnen, Gjalt. Maar we zijn ook al weer gestopt omdat Charlie denkt dat hij zeker weet dat hij het woord weet dat je in je hoofd hebt. Zie je, dat maakt dit leuke spelletje zo vervelend. Er zijn geen duidelijke regels. Moet ik nu Charlie zo maar wat laten roepen? Wat moet ik doen als het woord fout is?’
Niemand reageerde. Het leek wel of meester de vraag aan zichzelf stelde, en niet aan ons.

’Stel je de vraag aan jezelf, meester, en niet aan ons?’, vroeg ik.
’Eeh… hmpfff… tja, dat denk ik wel. Hoe kun je nou een spel spelen zonder dat er goede regels zijn?’
’Weer een vraag aan jezelf, meester’, zei ik.
’Klopt Steen. Klopt.’
Meester zuchtte.
’Ik weet het’, zei Charlie nog een keer.
Meester Korneel maakte een wegwerpgebaar.
’Vooruit dan maar. Gooi het er maar uit, Charlie. Vooruit met de geit. Ga je gang. Laat maar eens horen wat je hebt verzonnen. Laat maar eens horen wat die woordradar van de rommelmarkt zegt. Laat ons niet langer in spanning met dit super leuke spannende grappige spel. Kom maar met je daverende oplossing.’

Charlie opende zijn la en rommelde er wat in.
’Wat doe je nou, Charlie?’, vroeg meester.
’Even de woordradar aflezen, meester. Hmmm… ja… gelukt.’
Charlie keek de klas rond.
’Het woord is eeeh… astronomie’, zei Charlie.
Meester begon te lachen.
’Astronomie… ha, hoe kom je daar op? Astronomie… dat is niet zo maar een woord. Dat is een bijzonder woord. Wacht eens even. Volgens mij heb ik het laatst nog gelezen in het woordenboek. Volgens mij heeft het te maken met eeh… met eeh… sterren of zo!’zei meester.
Gjalt stond achter meester. Zijn mond zakte open.

’Astronomie is dus iets met sterren en met grote verrekijkers turen naar de ruimte. Leuk Charlie, die woordradar van je. Zo horen we nog eens wat.’
Gjalts mond ging nog verder open.
’Meester’, fluisterde hij.
’Ja, Gjalt? Oh ja, je bent er ook nog. Waarom sta je hier eigenlijk?’
’Galgje’, fluisterde Gjalt.
’Oh ja, galgje. Wat zit je me aan te staren’, zei meester.
’Gewoon’, mompelde Gjalt. ‘Charlie heeft het geraden, meester.’
’Aha… Charlie heeft het geraden.’

Meester was even stil. Toen zakte ook zijn mond open. Nog verder dan die van Gjalt.
’Echt waar?’, vroeg meester.
’Echt waar’, zei Gjalt.
‘Echt waar echt waar?’, vroeg meester.
Gjalt knikte.
Charlie glom een glimlach van oor tot oor.
’Mag ik die woordradar eens zien?’, vroeg meester.
Charlie lachte nog een beetje harder.
’Geen woordradar, meester. Gewoon appeltje eitje. Gjalt heeft het altijd over sterren en sterrenkunde en alles wat daar mee te maken heeft. Hij wil op het schoolplein altijd astronomietje spelen. Dat is een spel waarvan alleen hij de spelregels kent. Niet moeilijk dus, om te raden wat het woord is. Astronomie dus.’
’Astronomie dus’, mompelde meester.

Gjalt schreef de letters van het woord op de goede plek op het bord.
Meester staarde er verbaasd naar.

’Het is twaalf uur, meester’, zei Charlie en doorbrak daarmee de stilte.
’Hmm eeeh… tja… goed. Tot vanmiddag’, zei meester stilletjes.
We stonden op en lachend liepen we de klas uit.
Charlie sloeg op de gang een arm om de schouder van Gjalt.
’Dat was een mooi toneelstukje kameraad’, zei Charlie.
’Zag je meester kijken?’, zei Gjalt.
Ik liep achter ze aan en hoorde wat ze zeiden.
’Nee? Hebben jullie dat echt zo van te voren bedacht?’, vroeg ik.
Gjalt en Charlie lachten.
’Tuurlijk Steen’, zei Charlie.
’Tuurlijk’, lachte Gjalt.
’Wauw. Sterk zeg. Dat had ik niet door, en meester al helemaal niet’, zei ik.
Gjalt grinnikte.
’Soms mag dat wel eens, vonden we. En vanmiddag vertellen we meester misschien dat we dat van te voren hadden bedacht!’
Charlie en Gjalt lachten.
’Ik heb nu al zin in vanmiddag’, zei ik.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *