balanceren

Wordt 2015 het jaar van meester Korneel?

Een paar jaar geleden zag het eerste magazine over meester Korneel het licht. Daarna bleef het verdacht stil rond deze sullige meester met het hart op de goede plek die op een eigenzinnige wijze elk kind in zijn lokaal echt kan bereiken.

Ik heb de drang om meester Korneel weer tot leven te roepen. De eerste stap heb ik gezet door alle (meer dan 100 avonturen!) bij elkaar te zetten.

De tweede stap? Zo nu en dan een bizoender avontuur te plaatsen.

De derde? sponsors vinden die de begroting sluitend gaan maken.
Zo ver is het nog niet… eerst stap 2! Veel leesplezier!

’Maar hoe zat dat dan precies, meester?’, vroeg Janke. ’Hoe dat zo precies zat? Hoe wat precies zat? Ik snap niet precies wat je zo ongeveer bedoeld’, antwoordde meester. ’Nou, gewoon. Je zei gisteren dat je aan de directeur had laten zien dat je een dweil zevenenvijftig seconden op je vinger kon laten balanceren. Je vertelde ook dat het niet gelukt was maar dat je dat heus wel kan. Kun je dat ook eens aan ons laten zien dan? Ik bedoel dat je ons laat zien hoe je dat doet, bedoel ik, toch?’ ’Ah, bedoel je dat. Ja, dat zou ik heus wel een keer kunnen laten zien. Alleen nu niet, denk ik, want we zijn aan het rekenen, Janke. Nou ja, jullie zijn aan het rekenen en ik ben aan het rondlopen terwijl jullie aan het rekenen zijn. Dan kan ik toch niet zomaar wat balanceeroefeningen met een dweil doen, toch?’, zei meester. Het klonk niet echt overtuigend. ’Ach, lijkt me wel’, zei Janke. Je doet toch wel vaker iets wat niet past bij wat we moeten doen, toch?’ Meester keek wat bedremmeld. ’Ik ben wat bedremmeld. Ik zou echt niet weten of ik wel vaker iets doe dat niet past bij wat we eigenlijk zouden moeten doen. Ik zou het echter dan echt niet weten.’ ’Wij wel. Zeg meester, ik moet een som maken over een weegschaal. Kijk maar, som drie, toch?’, zei Janke vragend. Haar lange wimpers werden nog langer, haat zoete vraagstem werd nog zoeter en haar ogen begonnen een beetje te glanzen. ’Ja, nou. Leuk dat je een som moet maken over een weegschaal. Het antwoord is trouwens zevenhondervijfenzestig gram. Maar wat heeft dat nou te maken met die dweil?’ ’Klopt niet meester. Het antwoord is zevenhonderdvijfenvijftig gram. Je zit er tien gram naast. Het antwoord staat verkeerd in het antwoordenboekje’, zei Gjalt. Meester Korneel kwam bij Gjalt staan, keek in het boek en pakte dan het antwoordenboekje er bij. ’Tsss… zevenhonderdvijfenvijftig dus… Gjalt heeft gelijk. Alweer eens.’ ’Hoeven we die som dan niet te maken, meester, toch?’, vroeg Janke. ’Hmmm, even over nadenken. Hoezo?’ ’Dan kun je in die tijd dat ik over die som zou doen wel die dweiltruc even laten zien… daarom, toch.’ ’Dweiltruc. Het is geen dweiltruc. Het is gewoon een kwestie van balans. Je pakt een stok en die laat je op je vinger staan. Meer is het niet.’ ’Maar als het niet meer is, dan kun je het toch wel even laten zien, toch?’, vroeg Janke. ’Laten zien? Laten zien. Er valt niets te laten zien. Gisteren ben ik door dat dweilgedoe negenennegentig procent van al mijn haar kwijtgeraakt én bovendien heeft mevrouw Krankheimer ook nog mijn hoofd gedweild met een sopje. Je denkt toch niet dat ik nu dat trucje alweer ga doen, of wel?’ Janke schudde hardknikkend haar hoofd. ’Yep, dat denk ik wel. Als het niet lukt dan hoeft de rest er heus niet af meester, toch? En als het je wel lukt om die zevenenvijftig seconden vol te houden dan eeeeh… dan… tja… dan krijg je je haar terug, toch?’, mompelvroeg Janke. ’Ha, dat zal wat zijn. Ik…. mijn haar terug?… zal wel!’, riep meester Korneel verrast en streek over zijn bijna kale hoofd. Meester liep de klas uit en kwam even later terug, met een dweil. We legden allemaal onze pennen neer en keken naar meester. ´Weten jullie? Soms zijn dingen zo ongelofelijk simpel dat ze er moeilijk van worden, of andersom. Dit is een stok met wat dweilsprieten er aan. Mevrouw Krankheimer gebruikt het om de vloer mee te dweilen, en dan heet het een dweil. Maar als je deze zelfde stok met dweilerige sprieterige sprieten gebruikt om te balanceren dan heet het opeens een eeehhh… tja, opeens heet het dan een balanceerstok. Of het heet opeens een slappekoorddansstaak als je er mee over een slap koord wilt lopen. Of een slootspringhout, als je er mee over een sloot wilt springen. Het heet een keu als je er mee wilt biljarten en een aanwijsstok als je er iets mee aan wilt wijzen. Zo verandert de stok niet maar door dat wat je er mee wilt doen lijkt het wel of de stok veranderd. Als mevrouw Krankheimer hem gebruikt is het een dweil maar eerlijk gezegd denk ik niet dat deze dweil al vaak als dweil is gebruikt in onze krakkemikkige oude school. Daarom kan ik deze dweil ook heus wel eens voor wat anders gebruiken. Dan wordt hij tenminste nog eens gebruikt. Eigenlijk is het niet moeilijk om deze stok zo om te toveren dat het een balanceerstok wordt. Je pakt hem zó beet en zet het uiteinde van de stok op déze manier op je vinger.´ Meester liet het zien en inderdaad leek het helemaal niet moeilijk. De stok die eerst een dweil maar nu een balanceerstok was stond op meesters vinger een beetje stil te staan. Hij wees naar het plafond en de slierterige slierten die eigenlijk bedoeld waren om de vloer mee te dweilen leken wel op het hangende haar van een langharige tekkel. ´Is dat alles, meester?´, vroeg Janke. Meester liet de stok van zijn vinger vallen. Handig greep hij de balanceerstok, die nu weer een dweil was geworden, uit de lucht voor hij op de grond was gekomen en zette de dweil netjes naast zich neer. ’Dit is alles’, zuchtte hij. ‘Gisteren moest ik dat zevenenvijftig seconden lang doen maar ja… ik werd afgeleid door twee giebelende ginnegappende juffen die slappelachlachend het kamertje binnen kwamen stormen. ’Zevenenvijftig seconden is niet veel, meester. Misschien kun je het nog een keer proberen, toch?’ ’Nog een keer proberen? Nog een keer proberen? Krijg ik daardoor mijn haar terug? Waarom zou ik het nog een keer doen. Als ik het nog een keer doe is de kans veel te groot dat de beide juffen weer schuddebuikend en schaterlachend en hoeperdiedoepend hieperdepiepend binnen komen. Een grote grijns op hun gezicht, dubbelgeslagen lachend om één of andere grap die ze hebben gehoord met hun grapopvangende oren. Of directeur Zwarfdreumer komt binnen als ik aan het balanceren ben. Ik denk dat hij dan nog meer dubbelgevouwen lachend door het lokaal zal lopen. Ik denk dat hij dijenkletsend tussen ons door zal grinniken. Wat heeft het soms voor zin om dingen over te doen als je weet dat ze misschien weer mislukken.’ Meester was stil. Janke niet. ’Dat is vreemd meester, toch? Als ik een som niet helemaal snap dan zorg jij er toch voor dat ik hem nog een keer probeer. Samen met jou en een paar anderen die het niet snappen. Jij helpt ons toch, toch? En nou zeg jij dat je niet nog een keer iets wil doen omdat het misschien weer niet lukt, toch?’ Janke liet een stilte vallen. Meester ook. Ik kon zien dat hij barstensvol met nadenkrimpels zat die maar niet glad werden. ’Ik heb een goed ideetje’, zei Janke. ‘Wij zorgen er voor dat de deur dicht blijft. Wij houden de wacht zodat directeur Zwarfdreumer en de ginnegappende juffen niet onverwacht binnen kunnen komen. Het is maar een minuut. Je kunt het best, meester, toch? En wij helpen je zoals je ons ook altijd helpt.’ Meesters denkrimpels werden wat gladder. ’Dus jullie zorgen er voor dat ik niet wordt gestoord?’, vroeg hij. We knikten, allemaal. ’Goed, zorg maar dat dat in orde komt’, zei meester wat meer opgewekt. ‘Ik loop de klas even uit en als ik terugkom hebben jullie het geregeld.’ Hij pakte de dweil die weer een balanceerstok zou gaan worden en liep even het lokaal uit. Wij kletsten onder leiding van Janke wat kip zonder kopperig door elkaar. Meester kwam de klas weer binnen. ’Klaar, meester, toch?!’, vroeg ze fronsend aan ons. We knikten allemaal. Humphrey en Gjalt stonden op de gang als uitkijk. Charlie stond met mij bij de deur. We hadden een bezemsteel onder de deurklink gewurmd zodat de deurklink niet naar beneden kon en niemand binnen zou kunnen komen De rest zat op zijn plek en meester stond voor de klas, met de dweilerige balanceerstok in zijn hand. ’Hmmm… nou, vooruit dan maar, omdat jullie het zijn.’ Meester zuchtte, zette de dweilstok op het voorste kootje van zijn rechterwijsvinger, keek naar de dweilkant van de stok en haalde zijn linkerhand van de steel. De stok bleef stokstijfstil staan. Meester wiebelde bijna niet. Hij stond gewoon en stond gewoon wat te balanceren. De seconden tikten weg. Janke had bedacht dat zij wel even zou tellen. ‘Vierentwintig vijfentwintig, zesentwintig, zevenentwintig.’ Meester begon wat te neuriën. ‘Achtendertig, negenendertig, veertig, eenenveertig’, telde Janke. ’Kat in het bakkie, la di da di da di da’, mompelde meester. Opeens gebeurde het snel en vooral onverwacht. ’Vijftig’, zei Janke harder dan hard. Meteen daarna bonsden we met onze handen stevige bonzen op de tafel, we voelden allemaal een geluidsgolf over ons heen komen, we stampten onze benen en klapperden kleppend onze handen. We maakten lawaai zoals we nog nooit lawaai hadden gemaakt, we juichten en klapten, we applaudisseerden en stampten met onze voeten. We joelden en jielden, we juilden en jeulden, we beulden en bulderden. We hadden afgesproken om op de vijftigste tel te beginnen met lawaaierige geluiden meester uit zijn concentratie te brengen. Maar… het lukte niet. Meester stond daar voor de klas als een echte stevige meester die zich door niets en niemand, en zeker niet door ons, van de wijs zou laten brengen. Hij lachte een vette glimlach en hoe harder wij joelden, hoe harder hij lachte. ’Zevenenvijftig, achtenvijftig, negenenvijftig, zestig…’, zag ik hem zeggen. Ik hoorde het niet maar ik zag het wel, aan de manier waarop zijn mond heen en weer en op en neer ging. De dweil bleef balanceerstok, veel verder dan zestig seconden. We joelden en jielden en juilden en jeulden en bulderden en bulderden steeds minder jeulend en jielend en jeulend en bulderend tot we helemaal stil waren. Meester balanceerde door tot het helemaal stil was. Op dat moment, na honderdzevenenveertig seconden, liet hij de balanceerstok weer dweil worden en zette hem netjes naast zich op de grond. Iedereen keek en keek. Meester glimlachte en lachte. ’Gelukt’, zei hij eenvoudig. ’Gefeliciteerd, meester. Zie je wel dat het lukt als je je goed concentreert. Dat leer je ons, toch? En nu doe je het zelf ook, toch?’, vroeg Janke. Meester zei eerst niets. ’Zou wel leuk zijn als ik mijn haar weer terug kreeg’, zei hij toen droog. ’Oh ja, dat is waar ook, toch?’, zei Janke. Ze liep naar de gang en kwam even later terug met een plastic tas. Uit de tas haalde ze een knalrode clownspruik, compleet met sprieterige krullen. ’Buk eens, meester’, zei ze. Meester glimlachte nog steeds. ’Heb ik weer’, mompelde hij vrolijk. ’Staat je goed meester, toch?’, zei Janke nadat ze de beetje krappe pruik op meesters hoofd had weten te krijgen. Meester maakte een diepe buiging. ’Dank jullie wel. Dat was een mooie voorstelling van jullie.’ ’En van jou, meester. Maar hoe kon je je zo goed concentreren dan, meester, tijdens ons lawaai, toch?’, vroeg Janke. Meester lachte. ’Jullie waren zo hard aan het kip zonder kopperig roepen dat ik precies kon horen wat jullie van plan waren… dus. Ik wist het, zogezegd.’ We keken elkaar aan en lachten mee met meester die vlak daarna zijn nieuwe pruikerige haar afzette en in de vensterbank legde, bij de rest van verzameling bizoendere voorwerpen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *